Met het oog op de vooruitgang van de jongere is het belangrijk dat elke begeleider van de jongere (school/ bedrijf) regelmatig evalueert en feedback geeft. De school coördineert en heeft elke inbreng nodig om de leerling optimaal te kunnen begeleiden.

Wat is feedback?

Feedback is een terugkoppeling over hoe je het gedrag of de houding van de ander hebt ervaren. Dit kan zowel positief als negatief zijn. Feedback heeft als doel het gedrag te bekrachtigen of bij te sturen.

Dagelijkse feedback

Hoe geef je dagelijkse feedback?

 

Elke schooldag geef je korte/directe feedback (5 à 10 minuten) aan de jongere over de uitgevoerde taken en opdrachten. Deze feedback is eerder direct en informeel van aard:

  • Gespreid over verschillende momenten van de dag of gebundeld op één ogenblik (bijvoorbeeld in de namiddag of op het einde van de dag).
  • Denk op voorhand na over wat je wilt meegeven aan de jongere. Start met de positieve feedback. Geef indien nodig aan wat er in de toekomst anders moet.
  • Geef de jongere de ruimte om te reageren.
  • Hiervan is er geen verslag nodig.

De 4 G’s:

Gedrag, Gevoel, Gevolg en Gewenst resultaat

 

Gedrag

  • Beschrijf op een feitelijke manier het gedrag dat je stoort, de context. Bv. ‘Ik zie …’, ‘Ik hoor …’.

Gevoel

  • Vertel welk effect dit gedrag op jou heeft. Bv. ‘Ik vind …’.

Gevolg

  • Wat is het positieve of negatieve gevolg van dit gedrag?

Gewenst resultaat

  • Stel oplossingen voor of vraag hoe de jongere dit kan veranderen. Bv. ‘Ik wil …’, ‘Ik zou graag hebben dat …’.
Gouden regel

Geef feedback altijd vanuit jezelf en benoem wat je ziet (=feiten).

Voorwaarden en tips

Geef feedback altijd in de IK-vorm

  • ‘Ik vind dat …’, ‘Ik heb gezien dat …’, ‘Ik hoor je nu zeggen dat …'
  • Verken samen oplossingen.
  • Laat de andere de ruimte om te reageren, maak er geen monoloog van. Stel bijvoorbeeld een vraag. ‘Hoe zie jij dit?’, ‘Klopt het wat ik zeg of wat is jouw mening hierover?’
  • Bepaal eerst voor jezelf wat je zelf wil: met welke bedoeling zeg je dit;  wat wil je hiermee bereiken? ‘Ik wil dat er iets verandert aan onze samenwerking.’, ‘Ik kom je iets zeggen met de beste bedoeling en zonder je te willen kwetsen. Mocht ik je toch kwetsen, dan mag je dat gerust zeggen.’
  • Maak de feedback zo concreet en persoonlijk mogelijk.
  • Geef complimenten, ook dat is een vorm van evaluatie. Bv. ‘Deze opdracht heb je goed afgewerkt.’, ‘Deze taart heb je kleurrijk versierd.’
  • Geef (positieve) feedback van klanten door aan de jongere.
  • Is een klant bijvoorbeeld tevreden over een brood dat de jongere heeft gebakken, dan geef je dat door aan de jongere.
  • Benoem wat beter kan; en vooral wat goed gedaan wordt.
  • Ga er bijvoorbeeld niet vanuit dat het werk automatisch ‘goed’ is.

De jongere is nog in opleiding en het kost hem/haar meer moeite om een opdracht af te werken dan een vaste werknemer.

 

Let op!

Feiten zijn geen interpretaties.

  • Feiten: iets wat met zekerheid is gebeurd (voorbeelden, letterlijke herhalingen).
  • Interpretaties: een persoonlijk idee over wat je hebt gezien/gehoord.

Geef feedback altijd zo snel mogelijk na de feiten en stel het niet uit.

  • Feiten worden minder duidelijk als het al lang is geleden.

Vermijd het woordje ‘MAAR’. Gebruik liever ‘EN’; feedback kan en mag ook positief zijn.

Tussentijds evalueren

Hoe evalueer je tussentijds?

 

  • Wie wordt er bij de evaluatie betrokken?
  • Wanneer? Las tijdens de stage een aantal vaste evaluatiemomenten in; op een afgesproken moment; met de jongere en de begeleider van de school/opleiding.
  • Wat wordt er geëvalueerd? (volgens opleidingsplan)
  • Technische vaardigheden (sterke punten en werkpunten).
  • Houding en gedrag op de werkvloer (sterke punten en werkpunten).
  • Bekijk de online opvolgtool.
  • Hoe bereid ik deze evaluatie voor?
  • Bekijk welke vaardigheden de jongere op het einde van zijn/haar traject moet bereiken.
  • Maak een inschatting van deze vaardigheden op basis van observaties en vul deze in de online opvolgtool in:
  1. De jongere beheerst deze taak onvoldoende
  2. De jongere kan deze taak onder begeleiding  
  3. De jongere beheerst deze taak voldoende
  4. De jongere kan deze taak zelfstandig uitvoeren                                   

Praat als mentor regelmatig met je collega’s over de evolutie van de jongere.

Gouden regel
Zowel de werk- als sterke punten worden besproken in een open en eerlijke dialoog.

Hoe start ik een evaluatie?                                                              

 

Laat de jongere zelf nadenken over zijn/haar werk en houding.

  • Wat ging er goed?
  • Wat ging er minder goed?
  • Benoem de positieve punten vanuit je observaties.
  • Zorg voor een veilige omgeving, waar de jongere durft te praten over zijn/haar ervaringen.
  • Vergelijk in de tool de scores  van de school/mentor met deze van de jongere; en bespreek dit.

 

Hoe geef ik feedback over de werkpunten?

  • Gedrag: beschrijf het concrete gedrag.
  • Gevoel: praat vanuit jezelf, sta voor wat je zegt.
  • Gevolg: geef aan wat de concrete last/hinder is van suboptimaal gedrag.
  • Gewenst resultaat: zoek samen naar een alternatief dat voor beiden aanvaardbaar is.

Maak een kort verslag met aandachtspunten (goede en minder goede) van de afgelopen maand en de geplande opdrachten voor komende maand.

 

Afsluiten van het gesprek

Formuleer doelstellingen

  • Wat zijn mijn werkpunten?
  • Herhaal de verwachtingen: de jongere kreeg bij aanvang van het werk heel wat informatie te verwerken. Herhaal daarom regelmatig wat er van hem/haar wordt verwacht en maak dit concreet met voorbeelden.
  • Vat samen en vraag om feedback: vat op het einde van elke evaluatie de sterke punten en aandachtspunten samen; en vraag aan de jongere of hij/zij zich hierin herkent.

Eindevaluatie

Hoe bereid je je voor op de eindevaluatie?

 

Aan het einde van het opleidingstraject? Dan breekt nu het moment van de eindevaluatie in de online app aan.

Je doorloopt dezelfde stappen als bij een tussentijdse evaluatie; en ook hier is het nuttig om eerst even stil te staan bij volgende vragen:

  • Wat ging er goed?
  • Wat ging er minder goed?
  • Welke doelstellingen van de tussentijdse evaluatie werden behaald?
  • Was er evolutie in de werkpunten?

Vraag ook hoe de jongere de leerwerkervaring zelf heeft beleefd en vertel hoe jij/de schoolbegeleiders/de mentor de jongere heeft ervaren.